PESTBELEID BNC IN HET KORT
1. Ieder geval van pestgedrag moet worden gemeld bij een docent.
2. Na de melding volgt er een gesprek met de gepeste leerling en de pester. De mentor/ andere docent voert dit gesprek. Afspraken worden gemaakt en vastgelegd.
3. Pesten = straf.
4. Ouders worden op de hoogte gesteld van de voorgevallen feiten en gemaakte afspraken.
5. (Verplichte) hulp voor de gepeste leerling en de pester kunnen deel uit maken van de afspraken.
6. Afspraken worden gemonitord en wekelijks geëvalueerd.
7. Indien afspraken niet worden nagekomen, volgt opnieuw straf en een gesprek met de ouders op school met de coördinator.
8. Indien deze afspraken niet worden nagekomen, volgt een schorsing.
9. Indien een leerling twee keer moet worden geschorst wegens pesten, wordt de verwijderingsprocedure gestart.

PESTEN
Pesten is een maatschappelijk probleem. Waar mensen samen komen bestaat het risico op pesten. Het Bernard Nieuwentijt College accepteert geen pestgedrag op school. Om duidelijk te maken hoe wij met pesten omgaan, heeft het team BNC dit pestprotocol vastgesteld.

Wat is pesten?
We spreken van pesten als dezelfde persoon regelmatig en systematisch bedreigd en geïntimideerd wordt. Pesten is een vorm van geweld en daarmee grensoverschrijdend en zeer bedreigend.
Over de redenen waarom mensen zich agressief gedragen, bestaan allerlei theorieën. Volgens de ene theorie is geweld een onontkoombaar verschijnsel, dat op zijn best op een acceptabele wijze kan worden gekanaliseerd, volgens een andere theorie komt geweld voort uit frustratie en kan dit worden voorkomen door ontevredenheid weg te nemen, de agressie opwekkende omgeving om te vormen en reflectie op het gedrag te stimuleren.

Een klimaat waarin gepest wordt, tast iedereen aan. In een klas waar gepest wordt, kunnen alle leerlingen en docenten slachtoffer worden. Pestgedrag moet dan ook door iedereen serieus worden genomen. Het lastige is dat veel pestgedrag zich in het verborgene afspeelt, zodat het moeilijk is om er greep op te krijgen. En zelfs als het pestgedrag wordt opgemerkt, weten omstanders niet altijd hoe ze ermee om kunnen gaan. Dat is ook de reden van dit pestprotocol.
Docenten en onderwijsondersteunend personeel hebben echter een taak (samen met de ouders en de leerlingen zelf ) bij het tegengaan van pesten. Leerlingen moeten weten dat ze hulp kunnen krijgen van volwassenen in de school en hierom durven vragen. Volwassenen dienen oog te hebben voor de signalen van leerlingen. Ze dienen interesse te tonen en te luisteren naar wat de leerlingen te vertellen hebben.

Voor mentoren betekent dit dat ze groepsgesprekken houden, aandacht hebben voor de groepssfeer en het functioneren van individuele leerlingen in de groep. Ze maken afspraken met de klas en zorgen ervoor dat deze afspraken nagekomen worden.

Hoe wordt er gepest?
Pesten kan op verschillende manieren gebeuren:
Met woorden:
vernederen, belachelijk maken
schelden
dreigen
met bijnamen aanspreken
gemene briefjes, digitaal pesten

Lichamelijk:
trekken aan kleding, duwen en sjorren
schoppen en slaan
krabben en aan haren trekken
wapens gebruiken

Achtervolgen:
opjagen en achterna lopen
in de val laten lopen, klem zetten of rijden
opsluiten

Uitsluiting:
doodzwijgen en negeren
uitsluiten van feestjes
bij groepsopdrachten
Stelen en vernielen:
afpakken van kledingstukken, schooltas, schoolspullen
kliederen op boeken
banden lek prikken, fiets beschadigen

Afpersing:
dwingen om geld of spullen af te geven
het afdwingen om iets voor de pestende leerling te doen

Digitaal pesten
Tussen plagerij en pesten loopt een dunne grens, die voor ieder persoonlijk verschillend is. Iedereen is gerechtigd zelf aan te geven wat hij als acceptabel beschouwt.

De gepeste leerling
Sommige leerlingen lopen meer kans gepest te worden dan anderen. Dat kan met hun uiterlijk, gedrag, gevoelens en sociale uitingsvormen te maken hebben. Bovendien worden kinderen pas gepest in situaties, waarin pesters de kans krijgen om een slachtoffer te pakken te nemen, dus in onveilige situaties.
Een kind dat wordt gepest, praat er thuis en op school niet altijd over. Redenen hiervoor kunnen zijn:
• schaamte;
• angst dat de ouders met de school of met de pester gaan praten en dat het pesten dan nog erger wordt;
• het probleem lijkt onoplosbaar;
• het idee dat het niet mag klikken.

De pester
Pesters zijn vaak de sterkeren in hun groep. Zij zijn of lijken populair, maar zijn dat vaak uiteindelijk niet. Ze dwingen hun populariteit af door stoer en onkwetsbaar gedrag. Van binnen zijn ze vaak onzeker en ze proberen zichzelf groter te maken door een ander kleiner te maken. Pesters krijgen vaak andere kinderen mee, want wie meedoet, loopt zelf de minste kans om slachtoffer te worden. Doorgaans voelen
pesters zich niet schuldig, want het slachtoffer vraagt er in hun ogen immers om om gepest te worden. Daarnaast hebben pesters vaak ook een positieve blik op het gebruik van geweld.

Pesten kan een aantal oorzaken hebben:
• Een vaak gevoelde anonimiteit (ik besta niet); als een pester zich verloren voelt binnen een grote groep, kan hij zich belangrijker maken door een ander omlaag te drukken;
• Het moeten spelen van een niet-passende rol;
• Een voortdurende strijd om de macht in de klas;
• Een niet-democratisch leefmilieu binnen de school; iemand is autoritair en laat op een onprettige wijze blijken dat hij de baas is;
• Dergelijke spanningen kunnen op een zondebok worden afgereageerd;
• Een gevoel van incompetentie op school (slechte cijfers of een laag niveau);
• Een zwak gevoel van autonomie (te weinig zelfstandigheid en verantwoordelijkheid) of juist een te sterk gevoel voor autonomie;
• Een negatief zelfbeeld, weinig eigenwaarde;
• Een problematische thuissituatie, negatief voorbeeldgedrag van ouders/verzorgers.

De meelopers
Meelopers zijn omstanders die incidenteel actief of passief meedoen met het pesten. Dit gebeurt meestal uit angst om zelf in de slachtofferrol terecht te komen, maar het kan ook zo zijn dat meelopers stoer gedrag wel interessant vinden en dat ze denken in populariteit mee te liften met de pester. Verder kunnen leerlingen meelopen uit angst vrienden of vriendinnen te verliezen.
De meeste leerlingen houden zich afzijdig als er wordt gepest. Ze voelen zich wel vaak schuldig over het feit dat ze niet in de bres springen voor het slachtoffer of hulp inschakelen. Het is belangrijk deze leerlingen tot helpers te maken.

Het aanpakken van pesten
Pesten is onacceptabel en vraagt om een duidelijke en krachtige reactie vanuit de school. De grote vraag is hoe dat het beste kan en vooral ook hoe we dat binnen een vestiging en een onderwijsteam het beste kunnen aanpakken.
Pesten kan grote gevolgen hebben voor de gepeste (onzekerheid, faalangst, depressie, zelfdoding) en de pester (problemen met sociale relaties, positief tegenover het gebruik van geweld, heeft grotere kans in het criminele circuit terecht te komen). Deze negatieve gevolgen zijn vaak ook later in hun volwassenheid nog merkbaar.

HET PESTPROTOCOL
Het pestprotocol (zie bijlage 1) vormt de verklaring van de vertegenwoordiging van de school en de ouders waarin is vastgelegd dat we pestgedrag op school niet accepteren en volgens een vooraf bepaalde handelwijze gaan aanpakken.

Uitgangspunten
Een dergelijk protocol kan alleen functioneren als aan bepaalde voorwaarden is voldaan:
1. De school is actief in het scheppen van een veilig, pedagogisch klimaat waarbinnen pesten als onacceptabel gedrag wordt ervaren.
2. Pesten moet als een probleem worden gezien door alle direct betrokken partijen: docenten, onderwijsondersteunend personeel, ouders en leerlingen. Met het ondertekenen van het Nationaal onderwijsprotocol (zie bijlage I) laten alle betrokken partijen zien, dat zij bereid zijn tot samenwerking om de problemen rond pesten aan te pakken.
3. Docenten en onderwijsondersteunend personeel moeten pesten kunnen signaleren en vervolgens duidelijk stelling nemen tegen het pesten.
4. De school dient te beschikken over een directe aanpak wanneer het pesten de kop opsteekt (het pestprotocol).
5. De school ontplooit preventieve (les)activiteiten.

De vijfsporenaanpak
Door het ondertekenen van het Nationaal onderwijsprotocol heeft de school zich verbonden aan de vijfsporenaanpak. Dit houdt in:
De algemene verantwoordelijkheid van de school
De school zorgt dat de medewerkers voldoende informatie hebben over het pesten in het algemeen en het aanpakken van pesten. De school werkt aan een goed beleid rond pesten, zodat de veiligheid van leerlingen binnen de school zo optimaal mogelijk is waardoor een klimaat ontstaat waarin pesten bespreekbaar gemaakt kan worden. Alle medewerkers van de school vervullen een voorbeeldfunctie bij het signaleren en tegengaan van pestgedrag.
Het bieden van steun aan de jongere die gepest wordt
Het probleem wordt serieus genomen.
Er wordt uitgezocht wat er precies gebeurd is.
Er wordt overlegd over mogelijke oplossingen.
Het aanbieden van hulp door de mentor, de coördinator, de leerlingbegeleider of de schoolmaatschappelijk werker.
Het bieden van steun aan de pester
Het confronteren van de jongere met zijn gedrag en de gevolgen hiervan voor de pester.
De achterliggende oorzaken boven tafel proberen te krijgen.
Wijzen op het gebrek aan empatisch vermogen dat zichtbaar wordt in het gedrag.
Het aanbieden van hulp (desnoods verplicht) door de mentor, de coördinator, de leerlingbegeleider of de schoolmaatschappelijk werker.
Het betrekken van de middengroep bij het pesten
De mentor bespreekt met de klas het pesten en benoemt de rol van alle leerlingen en die van de school hierin. Er wordt gesproken over mogelijke oplossingen en wat de klas kan bijdragen aan een verbetering van de situatie. De mentor komt hier in de toekomst op terug.

Het bieden van steun aan de ouders
Ouders die zich zorgen maken over pesten worden serieus genomen.
De school werkt samen met de ouders om het pesten aan te pakken.
De school geeft adviezen aan de ouders in het omgaan met hun gepeste of pestende kind.
De school verwijst de ouders zo nodig naar deskundige hulpverleners.
De ouders van leerlingen die gepest worden, kunnen er moeite mee hebben, dat hun kind aan zichzelf zou moeten werken. Hun kind wordt gepest en dat moet gewoon stoppen. Dat klopt, het pesten moet stoppen. Echter, een gepest kind wil zich niet alleen veilig voelen op school; het wil ook geaccepteerd worden. Het verlangt ernaar om zich prettig en zelfverzekerder te voelen. Daar kan begeleiding of een (sociale vaardigheids-) training aan bijdragen.

Preventieve maatregelen
1. Elke mentor bespreekt aan het begin van het schooljaar de algemene afspraken en regels in de klas. Het onderling plagen en pesten wordt hierbij genoemd en onderscheiden. Ook bespreekt de mentor in zijn klas het pestprotocol. Er wordt duidelijk gesteld dat pesten altijd gemeld moet worden en niet als klikken maar als hulp bieden of vragen wordt beschouwd.
2. In de leerjaren 1 en 2 wordt aandacht besteed aan pesten in mentorlessen. Tijdens deze lessen wordt ook gewerkt met een methode Sociale Vaardigheden.
3. In de onderbouw krijgt iedere klas een pest-workshop.
4. De leerlingen maken aan het begin van het schooljaar een aantal samen afspraken over de omgangsvormen in de klas. Deze regels vormen samen het klassencontract. Iedere leerling ondertekent dit contract.
5. Indien een mentor of docent daartoe aanleiding ziet, besteedt hij expliciet aandacht aan pestgedrag in een groepsgesprek. Hierbij worden de rol van de pester, het slachtoffer, de meelopers en de stille getuigen benoemd.
6. Van de gesprekken rond pesten worden aantekeningen gemaakt, die door de mentor worden bewaard in het leerlingvolgsysteem van zowel de leerling die pest als van de leerling die gepest wordt.
7. Na iedere vakantie begint een klas met een mentoruur.
8. De school biedt een Sociale Vaardigheidstraining aan.
9. De school heeft een vertrouwenspersoon voor leerlingen.
10. Ieder schooljaar wordt door het team, de leerlingenraad en de ouderraad de quick-scan Pestbeleid ingevuld. De uitkomsten van de quick-scan worden gecommuniceerd en er worden, indien nodig, verbeteractiviteiten benoemd.
11. Vanaf het schooljaar 2013-2014 heeft het BNC een Pestcoördinator die verantwoordelijks is voor de uitvoer van het Pestprotocol en die, indien nodig, trajecten begeleidt of uitvoert.

HET STAPPENPLAN NA EEN MELDING VAN PESTEN
A. De mentor*
1. Wanneer het pesten plaatsvindt in klassenverband, praat de mentor eerst met de gepeste en later met de pester apart. Een leidraad voor deze gesprekken is te vinden in bijlage II en III. Van de gesprekken wordt een verslag in het leerlingvolgsysteem gezet.
Vervolgens organiseert de mentor een gesprek tussen beide leerlingen en probeert tot goede afspraken te komen.
Deze gesprekken vinden plaats op de dag dat het incident heeft plaatsgevonden of is gemeld. Indien de mentor deze dag niet beschikbaar is, voert de coördinator of een andere docent de gesprekken.
De pester krijgt een passende sanctie.
2. De mentor neemt contact op met de ouders van de pester en de gepeste en betrekt hen bij de oplossing;
3. De mentor bespreekt direct het vervolgtraject indien het pesten zich herhaalt.
4. De mentor praat met de klas. Dit is belangrijk in verband met het herstellen van de groepssfeer en om te benadrukken welke verantwoordelijkheid ieder groepslid heeft.
5. Indien het probleem escaleert, meldt de mentor het gedrag aan de coördinator van de leerling(en) en draagt het dossier over.
6. Indien het probleem escaleert (zie 5) worden de ouders/verzorgers hiervan op de hoogte gesteld en zo nodig betrokken bij het vinden van een oplossing.
*Een leerling kan er ook voor kiezen om niet bij zijn mentor, maar bij een andere docent het pesten te melden. Het is mogelijk dat deze docent het traject uitvoert.

B. De coördinator
1. De coördinator kan in onderling overleg, de rol van de mentor overnemen bij escalatie van het pestgedrag en wanneer het pesten het klassenverband overstijgt.
2. De coördinator heeft zo nodig een gesprek met de gepeste en de pester apart of organiseert direct een gesprek tussen beiden.
3. In het contact met de pester is het doel drieledig, namelijk:
– confronteren (zie bijlage III)
– mogelijke achterliggende problematiek op tafel krijgen
– helderheid geven over het vervolgtraject bij herhaling van pesten.
4. In het contact met de gepeste wordt gekeken of hij bepaald gedrag vertoont, waardoor hij een gemakkelijk doelwit vormt voor pesters.
5. De coördinator adviseert zo nodig, zowel aan de pester als de gepeste, hulp op vrijwillige basis door de leerlingbegeleider.
6. De coördinator stelt alle betrokken ouders op de hoogte wanneer er sprake is van recidief gedrag, verzoekt hen om met hun kind te praten en stelt hen op de hoogte van het vervolgtraject.
7. De coördinator bespreekt de mogelijkheden tot hulp met de ouders.
8. De coördinator koppelt alle informatie weer terug naar de mentor.

C. Schorsing
Wanneer een opgelegde anti-pest-opdracht geen blijvende vruchten afwerpt, volgt een schorsing van een dag. Als er ook daarna geen verbetering geconstateerd wordt krijgt de pestende leerling een langere schorsing, dit in overleg met de coördinator.
Pestprotocol BNC, 2013

D. Verwijdering van school
Wanneer de leerling ondanks alle inspanningen van de betrokken partijen koppig blijft volharden in het ongewenste pestgedrag, liggen er geen perspectieven meer tot verandering. De school kan en wil geen verantwoordelijkheid meer nemen voor de veiligheid van de overige leerlingen. Er rest de school niets anders dan verwijdering.
De taak van het team
De teamleden hebben vooral een signalerende rol. Wanneer zij pesten waarnemen of redenen hebben om pesten te vermoeden, wordt er van hen verwacht dat zij hierop adequaat reageren door direct een melding te doen bij de mentor om hulp en overleg in gang te zetten. De feiten rond de situatie worden op papier gezet, zodat de melding compleet is.
De rol van de leerlingbegeleider
• De leerlingbegeleider ondersteunt, in overleg met de zorgcoördinator, waar nodig mentoren en coördinatoren tijdens de verschillende fasen in het proces.
• De leerlingbegeleider biedt, in overleg met de zorgcoördinator, op vrijwillige basis individuele begeleiding aan de pester en de gepeste.
• De leerlingbegeleider biedt, in overleg met de zorgcoördinator, een sociaal-emotionele training.
• De leerlingbegeleider kan waar nodig een inbreng hebben tijdens de mentorlessen.

Het hierboven weergegeven stappenplan is een algemene leidraad; als een interventie succes heeft, kunnen vervolgstappen achterwege blijven. Het in het stappenplan genoemde traject bij aanhoudend pesten is geen automatisme; per leerling wordt bekeken welke maatregelen het meest passend zijn. Hierbij kunnen voor verschillende leerlingen verschillende maatregelen getroffen worden, welke onder andere te maken heeft met eventueel eerder gemaakte afspraken en/of de psychosociale context.

Bijlage I
NATIONAAL ONDERWIJSPROTOCOL TEGEN PESTEN Het Nationaal onderwijsprotocol tegen pesten beoogt via samenwerking het probleem van het pestgedrag bij kinderen aan te pakken en daarmee het
geluk, het welzijn en de toekomstverwachting van kinderen daadwerkelijk te verbeteren.
De ondertekenaars van dit protocol verklaren het volgende:
1. Pesten is een wezenlijk en groot probleem. Uit onderzoek blijkt dat één op de vier kinderen (330.000) in het basisonderwijs en één op de zestien leerlingen (55.000) in het voortgezet onderwijs slachtoffer zijn van pestgedrag. Pestgedrag is schadelijk tot zeer schadelijk voor kinderen, zowel voor de slachtoffers als voor de pesters. De omvang en zwaarte van het probleem leiden tot de noodzaak van een aanpak door alle opvoeders van jongeren, in het bijzonder door de ouders en door de leerkrachten.
2. De directie dient, om een passend en afdoend antwoord te vinden op het probleem pesten, uit te gaan van een zo goed mogelijke samenwerking tussen ouders, medewerkers van de school en leerlingen, gebaseerd op afgesproken beleid dat gericht is op deze samenwerking.
3. Alle betrokkenen bij de school (directie, medewerkers, leerlingen, ouders) wensen een samenwerking, zoals bedoeld onder 2, ook daadwerkelijk aan te gaan, te stimuleren en levend te houden.
4. De ondertekenaars van dit protocol verbinden zich daarom het volgende te doen:
• een aanpak via en het werken volgens de ‘vijfsporenaanpak’:
• het bewust maken en bewust houden van de leerlingen van het bestaan en de zwaarte van het probleem;
• een gerichte voorlichting aan alle ouders van de school;
• het aanleggen van – voor iedere persoon aan de school verbonden – toegankelijke, goede informatie over het probleem pesten, met als speciaal aandachtspunt informatie voor de leerlingen;
• het beschikbaar stellen van geld waarmee wordt bekostigd: de scholing van personeelsleden, lesmaterialen, lezingen en andere activiteiten voor ouders en voor de aanschaf van boeken en andere informatie;
• samenwerking te zoeken en afspraken te maken met andere scholen in de buurt over de aanpak van het pesten;
• het delen van de opgedane ervaringen met andere scholen.

5. De ondertekenaars verklaren zich in principe bereid tot deelname aan een tussentijdse evaluatie door de school binnen drie jaar.
Naam en plaats van de school: Monnickendam
Getekend namens:
• Leerlingenraad:
• Ouderraad:
• Medezeggenschapsraad:
• Centraal Management Team:
• Handtekeningen leerlingenraad:

Bijlage II
LEIDRAAD VOOR EEN GESPREK MET DE GEPESTE LEERLING
Feiten:
• Klopt het dat je gepest wordt? (h)erkenning van het probleem
• Door wie word je gepest? (doorvragen: zijn er nog meer?)
• Waar word je gepest? (doorvragen: zijn er nog meer plekken?)
• Hoe vaak word je gepest?
• Hoe lang speelt het pesten al?
• Weten je ouders of andere personen dat je gepest wordt?
• Wat heb je zelf tot nu toe aan het pesten proberen te doen?
• Zijn er jongeren die jou wel eens proberen te helpen?
• Wat wil je dat er nu gebeurt; wat wil je bereiken?
• Bespreek samen met de leerling wat hij/zij kan doen tegen het pesten en bekijk waar de leerling aan wil werken om de situatie te verbeteren. Let daarbij op de volgende aspecten:
– Hoe communiceert de leerling met anderen?
– Welke lichaamstaal speelt een rol?
– Hoe gaat de leerling om met zijn gevoelens en hoe maakt hij deze kenbaar aan anderen?
– Heeft de leerling genoeg vaardigheden om weerbaarder gedrag te tonen naar de pester?

Bijlage III
LEIDRAAD VOOR EEN GESPREK MET EEN LEERLING DIE PEST
Alvorens er een gesprek met de pester wordt gehouden, heeft degene die het gesprek aangaat zich er van overtuigd dat degene met wie het gesprek plaatsvindt inderdaad schuldig is aan het gemelde gedrag.
Het doel van dit gesprek is drieledig:
• de leerling confronteren met zijn gedrag en de pijnlijke gevolgen hiervan
• Achterliggende oorzaken boven tafel proberen te krijgen
• Het schetsen van de stappen die volgen wanneer het pestgedrag niet stopt
Confronteren
Confronteren en kritiek geven is niet hetzelfde.
Confronteren is:
– probleemgericht en richt zich op gedrag wat waar te nemen is. Zodra we interpretaties gaan geven aan gedrag, wordt het persoonsgericht, bijvoorbeeld: je hebt cola in de tas van Piet laten lopen. Dat doe je zeker omdat je graag de lolligste bent! Zodra we gaan interpreteren reageren we een gevoel van frustratie op die ander af en zijn we gestopt met confronteren en begonnen met kritiseren.
– relatiegericht. Je bent heel duidelijk op de inhoud, in wat je wilt en niet wilt maar met behoud van de relatie, bijvoorbeeld. Ik vind dat je heel erg gemeen doet tegen haar en ik wil dat je daarmee ophoudt. Zeg nooit: Je bent heel gemeen. Je wilt duidelijk verder met de jongere. Kritiek op de persoon voelt als een beschuldiging/afwijzing. Eigenlijk zeg je daarmee dat de pester een waardeloos mens is.
–  specifiek blijven. Je benoemt de situatie waar het over gaat en vermijdt woorden als altijd, vaak en meestal. Kritiek wordt vaak algemeen.
– veranderingsgericht. Je stelt zaken vast en gaat vervolgens inventariseren hoe het anders kan.
Achterliggende oorzaken
Nadat het probleem benoemd is, richt jij je op het waarom? Hoe komt het dat je dit gedrag nodig hebt? Wat levert het jou op? Wat reageer je af op die ander? Etc.
Maak duidelijk dat er een tekort aan empatisch vermogen zichtbaar wordt in dit gedrag. Wat ga je daaraan doen? Bied zo nodig hulp aan van de counselor (op vrijwillige basis)

Het pestgedrag moet stoppen
Wees duidelijk over de stappen die volgen, wanneer het pestgedrag niet stopt (zie richtlijnen pesten).

Bijlage IV
DRAAIBOEK PESTPROTOCOL
De onderstaande punten zijn de stappen in het draaiboek van het pestprotocol.
1. Elke mentor bespreekt aan het begin van het schooljaar de algemene afspraken en schoolregels in de klas. Het onderling plagen en pesten wordt hierbij genoemd en onderscheiden. Tevens bespreekt de mentor in zijn klas het pestprotocol. Ook wordt duidelijk gesteld dat pesten altijd gemeld moet worden aan de mentor en niet als klikken maar als hulp bieden of vragen wordt beschouwd.
2. De leerlingen van alle klassen maken en ondertekenen aan het begin van het schooljaar het klassencontract. In onderling overleg geven de leerlingen en de mentor het contract een zichtbare plaats.
3. In alle leerjaren wordt aandacht besteed aan pesten in één of meerdere mentorlessen/ lessen kan. In klas 1 en 2 wordt gewerkt met een methode Sociale Vaardigheden en wordt een pestworkshop gehouden.
4. Indien een mentor of docent daartoe aanleiding ziet, besteedt hij expliciet aandacht aan pestgedrag in een groepsgesprek. Hierbij worden de rol van de pester, het slachtoffer, de meelopers en de stille getuigen benoemd.
5. Van de gesprekken rond pesten worden aantekeningen gemaakt, die door de mentor worden bewaard in het leerlingvolgsysteem van zowel de leerling die pest als van de leerling die gepest wordt.
6. Incidenteel pestgedrag wordt door de mentor besproken met de leerlingen, zowel met de direct betrokkenen als met de klas. Zowel de ouders van de gepeste als de pester worden op de hoogte gesteld.
7. Als het pestgedrag doorgaat, nodigt de mentor de ouders/verzorgers van de pestende leerling(en) en de gepeste(n) uit, bespreekt de problematiek met hen en stelt een handelingsplan op met de coördinator. Dezen stellen het team op de hoogte van de situatie en van de gemaakte afspraken in het handelingsplan.
8. Indien nodig verwijst de mentor, in overleg met de coördinator de pestende leerling(en) en/of de gepeste leerling(en) door naar de zorgcoördinator. Daarna volgt de normale procedure van een aanmelding.
9. Indien interne maatregelen en afspraken geen effect hebben, wordt er door de coördinator gezocht naar een passende oplossing.
10. In het uiterste geval wordt er door de coördinator, in samenspraak met de ouders/verzorgers gezocht naar een andere school.

BIJLAGE V
Voorbeeld van een klassencontract:
Dit contract dient als basis en kan per klas worden aangevuld.
Contract “veilig in school”
Ik vind dat iedereen zich veilig moet voelen in school.
Daarom houd ik mij aan de volgende afspraken:
1. Ik accepteer de ander zoals hij is en ik discrimineer niet.
2. Ik scheld niet en doe niet mee aan uitlachen en roddelen.
3. Ik blijf van de spullen van een ander af.
4. Als er ruzie is, zoek ik iemand die de ruzie helpt oplossen.
5. Ik bedreig niemand.
6. Ik pest of bedreig niemand digitaal.
7. Ik neem geen wapens of drugs mee naar school.
8. Ik gebruik geen geweld.
9. Als iemand mij hindert, vraag ik hem of haar duidelijk daarmee te stoppen.
10. Als dat niet helpt, vraag ik een docent of mijn mentor om hulp.